De Drijvende Brandkast
leestijd 9 minuten

De Drijvende Brandkast

De Drijvende Brandkast

In het Museum voor de Mooiste Mislukte Uitvindingen moet de drijvende brandkast een ereplaats krijgen. Zelden kwamen technisch wonder, bravoure en tomeloze dadendrang zo naadloos samen in een heilloos project. Fascinerend, maar een drama voor de spil van het avontuur, zakenman Cornelis van Blaaderen.

Over zijn verhaal maakte ik radio en schreef ik een artikel voor de VPRO-gids; klik hier voor de pdf of lees hieronder de comfortabeler webversie:

Kluis overboord

Wie kent nog de Drijvende Brandkast? Waarin technisch vernuft, bergen geld, postzegels, hebzucht en domme pech opstuwden tot een Hollands drama.

Soms is een verhaal zo wonderlijk, dat zelfs het bewijs onwerkelijk aandoet. Toch komt de Drijvende Brandkast echt binnenrollen uit het depot. Nou ja, in miniatuur dan. De koperen capsule omklemd door vier spinachtige poten is het demonstratiemodel waarmee de uitvinder de boer op ging, en de enige hardware die overbleef van zijn onderneming met kluizen van duizenden kilo's staal, tienduizenden speciaal gedrukte postzegels en honderdduizenden zeemijlen.

Hier in het Haagse Museum voor Communicatie* buigt Gert Holstege zich enthousiast over het model en wil van alles aanwijzen. 'Afblijven!', waarschuwt de conservator. Als Holstege niet mag, dan niemand. Want de hersenonderzoeker en filatelist is de enige grote kenner van deze geschiedenis, die begint in april 1912.

Cornelis van Blaaderen

De Titanic is net gezonken en zakenman Cornelis van Blaaderen uit Breukelen leest in de krant over bergen goud en waardevolle post die mee naar de bodem zijn gesleurd. Jaarlijks vergaan wel duizend schepen, dus dat telt op. Zou het niet mooi zijn als die kostbaarheden bij een ramp waterdicht verpakt blijven dobberen?

Nog geen jaar later heeft Van Blaaderen een plan klaar en schrijft de Posterijen over zijn grote safe met drijfvermogen voor op het dek van lijnschepen. Binnenin is plaats voor tonnen aan edelmetaal, post, geld en zelfs een extra plofkluis voor geheime documenten. De deur is een dikke brandkast waardig en vanaf de brug is altijd zicht op het gevaarte, zodat krakers geen kans krijgen. Bij brand kan de capsule 1700 graden verdragen en als het schip zinkt, zal de kluis zich op tien meter diepte automatisch loswurmen uit zijn houder en naar de oppervlakte schieten. Tegelijk gaat dan een uurwerk lopen dat van alles in gang zet.

Uit de brochure van Van Blaaderen

Allereerst klapt een antenne uit met een vlag en begint de boordbatterij een rode lamp bovenop de romp en een ontvanger te voeden. Zodra die radiosignalen opvangt van een passerend schip binnen tien zeemijl, gaat een relais om en schiet de Drijvende Brandkast een etmaal lang ieder uur een vuurpijl af. Komt het schip binnen tien zeemijl, dan blaast iedere tiende minuut een misthoorn. Het mechaniek loopt drie maanden, dus tijd genoeg voor een zoektocht. Al met al dus een technisch wonder en een voorloper van de hedendaagse zwarte doos.

Brand- en drijfproef op maandag 13 juli 1914 bij Urk, waarvan de volgende dag een uitvoerig verslag in de Schager Courant.

Een extra verkoopargument van Van Blaaderen is dan ook dat drenkelingen meer overlevingskans hebben in de buurt van zijn drijvende kluis. Nu is dat discutabel, want de gladde capsule biedt geen enkel houvast. Nee, dan de Amerikaan Dalton, die een halve eeuw eerder patent kreeg voor een drijvende scheepsbrandkast zonder technische snufjes, maar wel met humanitaire touwlussen om je aan vast te grijpen.

De safe van Van Blaaderen draait duidelijk alleen om harde business, miljoenen guldens zelfs. Want er gaat heel wat waardevolle post heen en weer tussen Nederland en Nederlands-Indië, en de verzenders willen in ruil voor veiligheid vast wel een duur plekje in de kluis betalen. De procedure daarvoor is eenvoudig. Je moet enkel naast de gewone frankering een extra brandkastzegel plakken waarvan de opbrengst deels naar Van Blaaderen gaat.

Productie van drijvende brandkasten in een Berlijnse fabriekshal van de firma Julius Pintsch.

De Posterijen en het ministerie van Koloniën reageren enthousiast, maar post valt onder Waterstaat en daar is minister Lely niet gediend van inmenging door een commercieel bedrijf. Hij stelt zoveel voorwaarden dat het plan in een la verdwijnt. Intussen woedt de Eerste Wereldoorlog en torpederen Duitse onderzeeërs meer schepen dan ooit naar de kelder. In 1918 maakt Lely plaats voor minister König en die gaat alsnog met Van Blaaderen in zee.

De trotse Van Blaaderen bij drijvende brandkasten in wording. 

De ondernemer krijgt zelfs gedaan dat hij in eigen beheer brandkastzegels mag drukken bij Joh. Enschedé in Haarlem, waar alle bankbiljetten en postzegels vandaan komen. 'Dat was ongehoord en uniek,' zegt Gert Holstege nu. 'Postzegels hadden een officiële status, het waren echte waardepapieren van de Staat.'

Ontwerp Leo Gestel

Als klap op de vuurpijl kan de entrepeneur zelfs het ontwerpproces van de zegels sturen via een prijsvraag waar bevriende collega's van zijn broer en kunstenaar Gerrit van Blaaderen aan meedoen. De winnende zegels van Lion Cachet en Leo Gestel zijn werkelijk fraai. Op een aanstormende oceaan in diepe kleuren deint de Drijvende Brandkast steeds kaarsrecht op de woeste schuimkoppen. Daarboven straalt en flitst haar antenne boven alle natuurgeweld uit, omringd door engelachtige vogels of een stervormig aura. Kortom: uw post is hier nog veiliger dan aan boord van het schip. Laat maar zinken, die schuiten!

Voorjaar 1921 is het zover. Vanaf nu vertrekt elke twee weken een schip met een Drijvende Brandkast aan dek vanuit Nederland naar Nederlands-Indië en vice versa. De zeven brandkast zegels zijn te koop op het postkantoor vanaf vijftien cent per twintig gram, de duurste zegel is fl. 7,50. Van Blaaderen krijgt vijf-achtste van de opbrengst en de Staat de rest.

Zowel Cachet als Gestel ontwierpen hun zegels vanuit dit zij-aanzicht van de brandkast.

Ongetwijfeld volgt de buitenlandse concurrentie het experiment met argusogen. Algemeen Handelsblad schrijft over de Italiaanse ingenieur Marzio de Bari, die stomtoevallig een bijna exacte kopie heeft ontworpen van de Hollandse Drijvende Brandkast. De Italiaanse regering is voornemens exemplaren op al haar mailboten te installeren. En in de haven van Baltimore demonstreert uitvinder Menotti Nanni zijn waterdichte safe door zelf in de capsule te kruipen die overboord wordt gegooid. Na twaalf lekkende minuten onder water kan hij nog net van de verdrinkingsdood worden gered. Over de kluizen van Bari en Nanni kan ik verder niets terugvinden, misschien is er lering getrokken uit het lot van Van Blaaderen. Want vanaf het begin valt de belangstelling tegen. En niet zo'n beetje, maar dramatisch.

Ontwerp Lion Cachet

In het museum legt Gert Holstege een paar albums op tafel die zijn gevuld met verstuurde brandkastbrieven. Een bijzondere collectie, wand die zijn er bijna niet. 'Over en weer gaat het tussen 1921 en 1923 om misschien duizend brieven en pakketten, en dat was bijna allemaal maakwerk. Dus dat filatelisten brieven naar elkaar postten vanwege de gestempelde zegels. Want gebruikte brandkastzegels waren schaars en hadden verzamelaarswaarde.' Het grote publiek ziet intussen het nut niet van de Drijvende Brandkast. De oorlog is voorbij, op de route naar Indië vergaat nooit een schip en ook de post in het ruim komt dus gewoon aan.

Hoe anders was het gelopen als minister Lely indertijd meteen ja had gezegd ten tijde van de duikbootoorlog? Dat is geen relevante overpeinzing op de departementen van Koloniën en Waterstaat, waar ze nu dolgraag van Van Blaaderen af willen. Die weet de proeftijd nog te rekken met steeds nieuwe voorstellen, maar op Koninginnedag 31 augustus 1923 valt het doek definitief en zijn de brandkastzegels voor het laatst aan het loket te koop. Niet gebruikte zegels kunnen nog twee maanden worden ingeruild.

Ontwerp Leo Gestel

Op die Koninginnedag staat een verslaggever van de Bussumsche Courant toevallig in de rij bij het plaatselijke postkantoor. 'Op mij volgde een heer in het grijs, die heel beleefd vroeg: "Mag ik voor twee ton brandkastzegels?" De ambtenaar aan den anderen kant van het hek schrok - voor zoover het hem in den dienst veroorloofd is te schrikken - stak zijn pink in zijn oor, wapperde met de hand en toen hij aldus in staat was op buitengewoonuitstekende wijze te hooren vroeg hij: "Wat zegt U?" De heer (...) herhaalde rustig: "Geeft u mij voor twee ton aan brandkastzegels." Automatisch klapte de postman z'n geldtrommel dicht en vroeg in groote verwarring: "Voor twee ton?""

De arme lokettist telegrafeert voor instructies naar zijn superieuren in Den Haag. Die hebben meteen door dat die keurige klat Van Blaaderen of een stroman moet zijn. De instructie is dan ook: weigeren! Want van 200.000 gulden aan verkochte brandkastzegels ontvangt Van Blaaderen zelf immers 5/8, dus 125.000 gulden. De volgende dag kan hij zijn gekochte zegels weer inleveren tegen de aankoopprijs van 200.000 gulden. De winst laat zich uittellen en het verlies is voor de staat. Een onbeleefde truc, maar Van Blaaderen zit dan ook ernstig in de nesten. Hij heeft zijn acht peperdure brandkasten en sjieke brochures nog lang niet terugverdiend en flinke schulden. Er volgt jarenlang getouwtrek met de Staat om de onverkochte zegels, want Van Blaaderen hoopt die nog te slijten aan verzamelaars. Als hij uiteindelijk een optie van Den Haag krijgt om de oplage aan de man te brengen, werkt de geslepen postzegelhandel tegen. Die vindt zijn vraagprijs te hoog en wacht geduldig af tot Van Blaaderen moet opgeven.

Tot overmaat van ramp is ene J.C. Pull controleur-magazijnmeester der Posterijen, een beambte met fijn gevoel voor commercie. Als een partij postzegels onverkocht blijft liggen, regelt Pull een sobere overdruk met andere frankeerwaarden, zodat de facto nieuwe zegels ontstaan die in geen enkel album mogen ontbreken. Kassa voor de Posterijen dus. Maar Pull gaat nog verder. Geheel op eigen houtje laat hij brandkastzegels drukken bij Joh. Enschedé voor verzending vanaf Suriname en Curaçao. En dat nog in 1922, als iedereen al weet dat de Drijvende Brandkast een mislukking is en uitbreiding met nieuwe routes ondenkbaar. Pull veinst een misverstand en probeert de rekening van het drukwerk door te schuiven naar Van Blaaderen. Tegelijk stelt hij het ministerie van Koloniën voor om de nutteloze zegels te overdrukken en als opruimuitgifte ter plaatse aan de man te brengen. Mogelijke opbrengst: bijna twee ton voor het ministerie.

De belangstelling bij de verkoop in 1927 is enorm, want originele brandkastzegels zijn zeldzaam en iedereen wil er nu wel op tijd bij zijn. Een krant in Paramaribo schrijft 'dat de politie met de sabel moest optreden om de orde te handhaven. (...) Het gedrang scheen nu en dan levensgevaarlijk en herhaaldelijk zag men dat personen die naar voren gedrongen waren, eenvoudig over balustrade weder naar buiten gesmeten werden. In een paar uur tijd was de geheele voorraad uitverkocht. Een der eersten, die triomfantelijk naar buiten kwam, was een sjouwer met een houten been, die de omstanders zo gevoelig op de teenen trapte, dat men wel verplicht was hem ruim baan te geven.'

Vanuit Nederland bestelt Van Blaaderen in arren moede ook een paar setjes Curaçaose en Surinaamse zegels, en intussen loopt zijn optie op de verkoop van de oorspronkelijke zegels vruchteloos af. De postzegelhandelaar John Rietdijk mag het nu proberen en maakt er zijn fortuin mee. Van Blaaderen krijgt een fractie van de opbrengst, ontloopt faillissement en kan zijn bedrijf in 1932 liquideren. Een jaar later overlijdt hij aan een hartaanval, 57 jaar oud. Je had hem beter gegund, hij had lef.

En smaak. Zijn stralende brandkastzegels waren ook Jean François van Royen opgevallen, de kunstminnende Algemeen Secretaris van de Posterijen die aan de wieg stond van het wereldberoemde PTT-design. Ja, Gert Holstege weet het zeker: 'Door de schoonheid van die brandkastzegels besloot Van Royen voortaan vrije kunstenaar als Jan Toorop, Jan Sluyters en Piet Zwart postzegels te laten ontwerpen en ze daarbij veel vrijheid te geven. Dat gebeurde alleen in Nederland.' Waar of niet, die traditie is gebleven tot de dag van vandaag. De postzegels van Karel Appel, Joost Swarte, Marte Röling, Anton Corbijn, M.C. Escher, Peter Struyken en al die andere meesters hebben we misschien te danken aan de Drijvende Brandkast. We kijken nog eens naar het kleine model op het karretje. Nee, zo bezien is dit ei beslist geen lege dop.

* Tegenwoordig Beeld en Geluid Den Haag.

Met dank aan Gert Holstege voor de fraaie scans van de brandkastzegels. Geïnspireerd door zijn research naar de Drijvende Brandkast, begon Holstege aan het Handboek Postwaarden Nederland over de geschiedenis achter alle zegels tot 1989. Hij is al een heel eind. Zie postwaarden.nl